Het Pitas-gebouw op de hoek van de Drift en de Nobelstraat

Het Union Station te Indianapolis. Foto: www.indy.gov

De ingang aan de Drift

Het beeldhouwwerk boven het portaal

Het beeldhouwwerk van het portaal

WWW.BOUWBEELDHOUWWERK.NL

Beeldhouwwerk aan gebouwen te Utrecht:

het Pitas-gebouw, Drift 9/Nobelstraat 2A

>terug

 

Van dit artikel verscheen een verkorte en bewerkte versie in het Tijdschrift Oud Utrecht, april 2009.


Summary: The main office of Levensverzekeringmaatschappij (= life insurance company) Pitas was completed around 1905. Pitas is a Roman goddess, who represents responsability for the welfare of the society. It is designed by the famous architect J.A. Van Straaten Jr., who lived and worked also in England and the United States. The Bijenkorf-building on the Dam (Dam Square) in Amsterdam is his best known design. For this building in Utrecht Van Straaten Jr. seemed to have been inspired by the Union Station in Indianapolis and by the work of Richardson. The sculptures above the entrance are Wisdom, Pitas and Alertness, whilst the relief on the corner is Saint George. They are designed and made by W.R. Retera, in his time a famous sculpturer, who also contributed to the the sculpture of the Vredespaleis (Peace Palace) in The Hague.

Inleiding

Het Pitas-gebouw op de hoek van de Drift en de Nobelstraat lijkt wel een kasteel: Het ziet er massief en gesloten uit, is gemaakt van natuursteen en heeft torens (een hoge hoektoren en een lagere halftoren). Aan de gevels vooral rond het ingangsportaal - vrij veel beeldhouwwerk, zoals dierenkoppen, bloemen, bevers, korenschoven, een vrouw op een troon met twee kinderen, en een man in een harnas.

Vooral de laatste twee objecten zijn erg interessant. Wat stellen zij voor? Hoe en waarom zijn zij gemaakt? Wat is hun relatie tot het gebouw?

Helaas is niet bekend waar de archieven van de opdrachtgever, architect, beeldhouwer en aannemer zich bevinden, als ze nog bestaan. Het is dus niet meer na te gaan welke eisen de opdrachtgever stelde, wie welke inbreng had, hoe het ontwerp zich ontwikkelde en hoe de houw verliep. We moeten het doen met de tekeningen die bij de aanvraag van de bouwvergunning zijn meegeleverd, enkele secundaire bronnen en eigen waarnemingen.

De opdrachtgever

Aan het begin van de twintigste eeuw had de Levensverzekeringmaatschappij Pitas een groter en mooier hoofdkantoor nodig. Bij het zoeken naar een geschikte locatie liet zij het oog vallen op een perceel op de hoek van de Drift en de Nobelstraat. Men gaf de in Amsterdam gevestigde, in Utrecht geboren architect J.A. van Straaten jr. de opdracht een kantoorgebouw te ontwerpen dat aan de nieuwe eisen zou voldoen.

Het gebouw

De gemeente Utrecht verleende de bouwvergunning op 3 augustus 1903, ondanks aanvankelijke bezwaren tegen de 'te hoge' toren. Twee claustrale huizen aan de Drift werden geheel of gedeeltelijk gesloopt. In 1905 (zo zei een verdwenen medaillon op het ingangsportaal) of begin 1906 stond er een nieuw stadskasteel.

De architect

J.A. Van Straaten jr. (1862 1920) was in die tijd een architect van naam. Hij had enkele jaren in Engeland en in de Verenigde Staten gewoond en gewerkt. Zijn bekendste werk is het Bijenkorf-gebouw aan het Damrak te Amsterdam (hoewel zijn inbreng niet onomstreden is).

T. van Leeuwen in Asselbergs e.a. (1975 p. 87 (de merkwaardige spelling is overgenomen): 'Als we nu naar de 'Pitas' kijken, dan lijkt het erop dat onze reconstructie van Van Straaten's verrichtingen geldigheid heeft gekregen. Het in 1906 voltooide gebouw is onmiskenbaar Richardson-romaans. In de dakkapellen, het hoofdportaal, de halftoren aan de straatzijde, maar het meeste nog in de hoektoren zijn duidelijk terugvindbare voorbeelden van Richardson te vinden. Vergelijking met het stadhuis van Albany laat overeenkomsten zien in de aanzet en de bedekking van de torenspits, centrale dakkapel boven het hoofdportaal. Belangrijk is verder het gebruik van natuursteen, zij het zonder de typische rusticering.

Het lage, langwerpige volume van de 'Pitas' heeft een andere bron dan Richardson's stadhuis.

Ik denk, dat hier Van Straaten's stationservaring een rol gespeeld heeft. Het Union Station van Thomas Rodd te Indianapolis van 1886-88 zou wel eens model gestaan kunnen hebben voor de 'Pitas'.

Het is moeilijk voor te stellen dat Van Straaten het niet gezien zou hebben. In zijn tijd was het een groot en opvallend gebouw en bovendien stond het op n van de belangrijkste spoorwegknooppunten van het land. Het moet wel heel gek gegaan zijn als Van Straaten niet over Indianapolis naar St. Louis gereid was, en weer terug.

De 'Pitas' is het enige commercile gebouw in Nederland dat rechtstreeks, zowel in de vorm als in het detail, op amerikaanse voorbeelden teruggaat. Het is waarschijnlijk de verdienste van Van Straaten geweest dat dit niet op een opvallende manier gedemonstreerd wordt. In ieder geval heeft men (de kritiek) het nooit opgemerkt. Over het Witte Huis is neerbuigend geschreven, het gebouw van Goulmy en Baar was 'schijnkunst' en de 'Utrecht' was 'gewild Amerikaansch'. Maar geen woord over de 'Pitas'.

Misschien verhief het zich wel boven de kritiek, f, en het is mogelijk dat hier de moraal van het verhaal verscholen zit, misschien was de kritiek zo vol van het stereotype Amerika beeld en zo gepreoccupeerd met zijn wolkenkrabberfobie, dat een openlijk getoonde herinnering aan een amerikaanse leertijd onopgemerkt bleef.'

Volgens Blom is de gelijkenis met een gebouw van H.H. Richardson opvallender: Old Stoney, Frankfurt, Indiana uit 1892 (en dat ondanks het feit dat de toren van dat gebouw rond is). Van Straaten moet ook dat gebouw gekend hebben.

De beeldhouwer

Een verslaggever van het Utrechts Nieuwsblad maakte de opening van het gebouw op 15 maart 1906 mee en was enthousiast: Het gebouw was state of the art (met een constructie van gewapend beton, centrale verwarming en inbraakvrije kluizen), functioneel, rijk en indrukwekkend. Over het beeldhouwwerk merkte hij of zij op: 'De medewerking van den beeldhouwer Retera, leeraar aan de Kunstnijverheidsschool te Amsterdam mag een zeer gelukkige genoemd worden. De verschillende details zijn met zeer veel zorg uitgevoerd in harmonie met de grote muurvlakken. Voor het materiaal is gekozen voor Walsteiner graniet uit Beieren en harde zandsteen uit Oberkirchen; de bekroning van den toren is mede van graniet.' (Oberkirchen ligt in de buurt van Hannover.)

W. M. Retera is nu vrijwel vergeten. Toch kreeg hij belangrijke opdrachten. Hij maakte onder meer beelden voor het Vredespaleis te Den Haag en het Koninklijk Koloniaal Instituut te Amsterdam (het latere KIT). Zijn bekendste werk is een buste van Linneaus, die in Harderwijk is opgesteld.

Teeuwisse (2003), p. 18/19: 'Jngers opvolger [bij de Rijksschool voor Kunstnijverheid, in een toren van het Rijksmuseum, JWA] was de beeldhouwer Willem Retera, een bouwbeeldhouwer uit de school van Cuypers die naam had gekregen met zijn sierlijke bouwplastiek in neostijlen. Hij doceerde langdurig aan beide museumscholen, van circa 1903 tot 1923. Retera liet zijn leerlingen kopiren naar de antieken en naar voorbeelden uit de grote historische stijlperiodes. Daarbij had hij de gewoonte om in de klas aan zijn eigen opdrachten te werken hetgeen het praktijkonderwijs ten goede kwam. Foto's in het archief van Wezelaar tonen de spectaculaire en exotische composities die op de torenzolder van het Rijskmuseum uit klei en gips werden getoverd.

Toen Han in de klas van Retera aantrad, had deze zojuist zijn werkzaamheden voor het Vredespaleis in Den Haag afgerond en was hij begonnen aan het versierend beeldhouwwerk voor twee grote bouwprojekten van de architecten J. & M.A. Van Nieukerken: het Koloniaal instituut in Amsterdam en de Nederlandsche handelsmaatschappij in Den Haag. Wellicht dat ook Wezelaar hieraan heeft bijgedragen. Deze deelde met zijn leermeester de liefde voor antiek en curiosa [...]. Retera opende zijn leerlingen de ogen voor Auguste Rodin.'

Verbouwingen

In 1916 werd Pitas overgenomen door De Utrecht (later AMEV). De Russische en Duitse waardepapieren van Pitas waren al gauw niets meer waard.

In 1919/20 werd het eens zo trotse hoofdkantoor verbouwd tot het Maison de Paris, een kledingzaak. Onder leiding van Van Straaten werden de ramen onderin de toren vergroot, en werden van alle andere gevelopening op de begane grond, de onderramen bij elkaar genomen en tot etalages gemaakt. De randen van die grote ramen werden met brons bekleed. Op de bovenlijst van het grote raam naast de ingang is nog te lezen: 'ROBES' (jurken). De winkel werd op 24 januari 1920 geopend.

Later werd het gebouw gebruikt door de Nederlandse Credietbank en het Molengraaff-instituut voor Privaatrecht van de Universiteit van Utrecht. Inmiddels staat het leeg.

Het gebouw is verschillende keren van binnen helemaal gestript. Alle originele (en speciaal voor dit gebouw ontworpen) meubelen en lampen zijn verdwenen. Ook de originele plafonds zijn weggebroken of 'verlaagd', op die van het ingangsportaal en de ontvangstruimte daarachter na. Ook van de oorspronkelijke wandafwerking (behang en lambrisering) is niets over. Gelukkig zijn de kluizen in de kelder er nog. Het huidige interieur zou gek genoeg - niet misstaan in Rijnsweerd.

De beeldengroep op het ingangsportaal

Op Van Straatens bouwtekeningen van 1904 is de beeldengroep provisorisch ingetekend. Misschien zou de beeldhouwer het definitieve ontwerp maken en was die nog niet aangetrokken.

De provisorische beeldengroep wijkt af van de gerealiseerde: De middelste figuur lijkt te staan in plaats van te zitten, de personen aan de zijkant lijken volwassenen te zijn in plaats van kinderen. Wel hebben de provisorische en de gerealiseerde beeldengroep dezelfde driehoekige opbouw en zijn zij ongeveer even groot.

Er zit een vrouw op een troon, met achter haar hoofd een ronde schijf: een nimbus of aureool, een christelijk symbool van heiligheid. Aan elke kant van de troon staat een kind. De vrouw kijkt recht vooruit, of zelfs iets naar boven. Ze heeft een neutrale gelaatsuitdrukking. Op elke leuning rust een arm. Haar linker pols rust nog op de leuning terwijl zij met haar linkerhand een zegenend gebaar maakt. De vrouw is rijk gekleed. De slippen van haar mantel vallen voor de verticale delen van de troon. De weergave van het textiel is schitterend. Op het rechter verticale deel van de troon staat een monogram: WR.

Het kind ter rechterzijde van de vrouw houdt een lange, relatief smalle strook papier of perkament vast. Tussen het kind en de troon staat een uil en liggen twee boeken. Op het bovenste boek staan de Romeinse cijfers XCMVI (van die I ben ik niet helemaal zeker), 1906 dus.

Ook het kind aan de linkerkant van de vrouw houdt een lange strook papier of perkament vast. Het draagt een helm met een everzwijn erbovenop. Tussen het kind en de troon staat een kraaiende haan.

Beide kinderen kijken naar beneden; je kijkt ze in de ogen als je het gebouw binnengaat.

Het geheel vormt een driehoek met de punt naar boven. De driehoek wordt ondersteund door de slippen van de mantel en de stroken: alsof die uitwaaien vanuit de punt van de driehoek.

Het beeld van de vrouw is uit n blok gehakt. De nimbus of aureool en de beelden van de kinderen (met toebehoren) staan los van dat van de vrouw. Zou de onderplaat ook een los onderdeel zijn? Ik vermoed van wel.

Wie of wat wordt hier afgebeeld? Voor wat betreft de vrouw doen de suggesties De Zachtmoedigheid, De Levensverzekering en Pitas de ronde. De kinderen worden als putti (kleine, onschuldigde jongetjes ter versiering), Goed en Kwaad, en Wijsheid en Waakzaamheid gezien. Als ik de regels van de iconografie (de beschrijving van de betekenis van beelden in de ruimste zin van het woord) zou toepassen, zou ik alle opties open moeten laten. In plaats daarvan heb ik een doorsteek gemaakt: Kan de vrouw Pitas zijn? Dat ligt immers voor de hand gezien de naam van de opdrachtgever,

Pitas was een Romeinse godin. Bij mijn zoektocht stuitte ik op drie Romeinse munten met daarop Pitas: met opgeheven handen in een zegenend gebaar, zitten op een troon, en met kinderen; net als in de beeldengroep.

In een boek over iconografie wordt het motief pitas als volgt beschreven: 'Daarnaast hebben de christenen een aantal heidense motieven aangepast voor eigen gebruik. Vaak gaat het dan om motieven die al eeuwenlang toegepast werden, maar die door hun frequente en algemene gebruik blijkbaar wat waren losgeraakt van de oorspronkelijke strikt religieuze betekenis. Een voorbeeld is de pitas, een moeilijk begrip dat vaak vertaald wordt met vroomheid, maar dat beter omschreven kan worden als verantwoordelijkheidsbesef ten opzichte van God, land en gezin. De pitas werd in de Romeinse wereld gepersonifieerd door een vrouwenfiguur met opgeheven armen.'

'Verantwoordelijkheidsbesef ten opzichte van God, land en gezin', dat zal de Levensverzekeringmaatschappij Pitas zeker hebben aangesproken. Al met al kunnen we veilig aannemen dat de vrouw Pitas voorstelt.

Gezien de boeken en de kraaiende haan (de de mensen 's ochtends wekt) neem ik aan dat de kinderen Wijsheid en Waakzaamheid voorstellen.

Het beeld op de hoek

Op de hoek van de toren staat een levensgrote, stenen man, een ridder in volle wapenrusting en met een mantel om. Hij staat op een bewerkt platform en onder een dito baldakijn.

Op de bouwtekeningen van 1904 is ook de man provisorisch ingetekend. Het platform waarop hij staat, ligt in werkelijkheid lager dan op de tekeningen. De gerealiseerde ridder is dus groter dan de getekende.

De ridder staat er ontspannen bij. Zijn lichaam staat precies 45 op beide gevelwanden. Hij kijkt naar rechts over het Janskerkhof, zijn blik zal die van de kijker nooit ontmoeten. Het gezicht heeft geen duidelijke uitdrukking en is eigenlijk wat pafferig. Met zijn linker onderarm leunt hij op zijn schild. Het schild, met daarop een groot kruis, staat parallel aan de Nobelstraat. De linkerhand van de man omklemt het gevest van het zwaard. In zijn rechter(!)hand heeft hij een rol perkament of papier. Hij draagt beschermplaten aan de onderbenen. De mantel is zo lang dat hij de vloer bereikt; de fraaie plooien vullen de anders minder interessante onderhoeken.

Deze ridder straalt geen strijdlust uit, kijkt vaag en lijkt met moeite zijn beginnende buikje in te kunnen houden. Het textiel wint het van het ijzer. Kleding en uitrusting zijn die van een rijk man. Omdat je hem van onderaf bekijkt treedt er een perspectivische verkorting op. Ook de brede band, het brede zwaard en de grote helm maken de man relatief kleiner. Hij is eerder ridder met de pen dan met het zwaard. Hij zou niet misstaan in Neuschwanstein, het Wagner-kasteel van de Beierse koning Ludwig II.

Op de rand van het platform is de volgende tekst ingehakt: W. RETERA FEC: Het laatste woord is een afkorting van het Latijnse woord fecit = heeft dit gemaakt.

Strikt genomen gaat het hier om een hoog-relif; het beeld staat dus niet vrij, maar is n geheel met de achtergrond, en het staat vr de achtergrond. Het hoofd staat wel los van de achtergrond, het lichaam en zelfs de benen niet.

Het beeld is niet uit n stuk natuursteen gehouwen maar uit een (uit losse blokken) samengesteld stuk natuursteen. De meeste blokken Oberkirchner hebben dezelfde hoogte als de blokken in de gevels. In ieder geval lopen de voegen van het beeld in die van de gevels door, ook waar de blokken op z'n kleinst zijn: in de onderste laag van het beeld. Daardoor is het beeld in nog sterkere mate onderdeel van de gevel dan beeldhouwwerk en zeker een relif al van zichzelf is, en ontstaat zelfs de suggestie dat het beeld ter plekke uit het gebouw is 'vrijgemaakt'. Toch is dan niet zo:

  1. er is aan beide zijden een verticale naad

  2. ter hoogte van de keel en van de buik zijn grotere blokken gebruikt

  3. het baldakijn, de rechter knie en het schild steken uit buiten de lijnen van de gevelwanden.

Het beeld is dus zeer waarschijnlijk in een atelier gemaakt.

Waarom heeft men voor losse blokken gekozen? Bij die aanpak moeten de opbouw van de gevel en die van het beeld op elkaar worden afgestemd, en is het ter hoogte van de voegen moeilijker om te detailleren. Dat laatste bezwaar is gedeeltelijk ondervangen door het bovenlichaam uit twee grotere blokken te hakken. Was er geen steen van het juiste formaat beschikbaar? Wie heeft voor deze aanpak gekozen: de opdrachtgever, de architect, de aannemer of de beeldhouwer?

Wordt hier een bepaalde persoon afgebeeld? De meeste bronnen spreken van St. Joris. Maar waar is de draak? Het blijkt zo te zijn dat St. Joris 'meer attributen heeft' dan alleen de draak zoals het St. Joriskruis, lans, paard en harnas. In dit beeld zijn op het schild het St. Joriskruis, en het harnas opgenomen.

Er bestaat een foto van een voorstudie van dit beeld, die sterk afwijkt van het gerealiseerde beeld. De eerdere versie laat zowel een draak als een lans zien.

St. Joris was een geliefd symbool voor verzekeraars: Het suggereert bescherming. Op een huis aan de Emmalaan te Utrecht, onderdeel van een door de verzekeringsmaatschappij De Utrecht onder leiding van P.J. Houtzagers gebouwd complex van fraaie woningen, is St. Joris afgebeeld die de draak bevecht (het gaat om een gekleurd hardstenen relif).

Misschien wat kort door de bocht, maar volgens mij kunnen we rustig aannemen dat dit beeld St. Joris voorstelt.

Neuschwanstein werd in 1886 geopend. Was het beeld van Retera echt zo ouderwets? Ja. Vergelijk het maar eens met dat andere ridderbeeld op de hoek van een toren: Gijsbrecht van Aemstel van Lambertus Zijl. Het is onderdeel van de Beurs van Berlage te Amsterdam, een gebouw dat in 1903 werd opgeleverd. De moderne stilering en strakheid van Zijl staan in schril contrast tot de wat uitgezakte romantiek van Retera.

Wat betreft de relatie tussen beeldhouwwerk en architectuur: St. Joris verdedigt de toren en het gebouw. Hij is een metafoor voor de activiteit van het bedrijf: Hij biedt bescherming, met een verzekeringspolis in plaats van met een zwaard in die zin is dit beeld juist wel modern.

De relatie tussen doel en middelen

Pitas heeft met dit gebouw niet alleen een goede werkplek voor haar medewerkers, en een ontvangsruimte voor de klanten willen creren. Het gebouw is een soort stellingname: rijk, krachtig, betrouwbaar ouderwets.

Wat betreft de relatie tussen beeldhouwwerk en architectuur: De beelden zijn van hetzelfde materiaal gemaakt als de gevel, en lijken wel uit die kunstmatige rots te zijn vrijgemaakt. De beeldengroep maakt deel uit van de ingangspartij en helpt mee de bezoekers de weg te wijzen. Verder verwijst hij naar de reden van bestaan en de activiteiten van het bedrijf: verantwoordelijkheidsbesef, wijsheid en waakzaamheid. Het contrast tussen de gesloten, stijve architectuur en de losse, open beeldengroep is groot, maar niet onaangenaam.

St. Joris staat vrij los van de ingangspartij aan de Drift en past ook niet bij de strakkere gevel aan de Nobelstraat. Hij hangt er maar zo'n beetje bij, is geen waardig onderdeel van de architectuur. Had zijn beoogde formaat nog een verbinding met de raamgrootte opgeleverd, uiteindelijk is zelfs de relatie met lijnen en vlakken minimaal.

Ten slotte

Koopmans (1997), ht standaardwerk over de Nederlandse beeldhouwkunst in de bouw tussen 1840 en 1940, p. 110: 'Het beeldhouwwerk van Willem Retera voor de Pitas is in een tintelende eclectische stijl met veel aandacht voor de detaillering van ornamenten [uitgevoerd].' De uitdrukking van textiel, ijzer en lichaam in steen is inderdaad bijzonder fraai. Blijft dat ik de gelaatsuitdrukkingen neutraal, en zeker St. Joris ouderwets vind.

De relatie tussen het beeldhouwwerk en de architectuur is behoorlijk los. Dat kan Van Straaten toch niet zijn ontgaan? Blom (1986) p. 89: 'Naar mijn weten heeft Richardson nooit een dergelijke plastische uitwerking van zijn romaniserende portalen gehanteerd. Een verfijnde beeldengroep zoals van de Pitas zou het primitieve, krachtige karakter van zijn werk tegenspreken. Ditzelfde geldt overigens voor de plaatsing van de ridderfiguur op de hoek van de toren. De Amerikaanse geslotenheid van de massa en de krachtige nadruk van de hoekpartij wordt door Van Straaten met dit beeld en de grote ramen op de eerste verdieping juist verstoord.' De man en de vrouw lijken bij gebrek aan een relatie met het gebouw een relatie met elkaar aan te gaan: Zij vormen een stel met problemen. Nog is alle contact niet verbroken maar veel stelt het niet meer voor. De kinderen gaan hun eigen weg. Deze visie is kunsthistorisch beslist onverantwoord maar levert wel een verklaring voor de wazige blikken en de onbestemde lichaamstaal van de vrouw en de man.

Hoe dan ook, het gaat hier om belangrijk beeldhouwwerk, zeker in een stad die niet rijk is aan sculptuur. Helaas zijn in het bijzonder de zegenende hand van Pitas, de rol papier of perkament van de kinderen en de onderkant van de mantel van St. Joris sterk verweerd. Gezien de feiten dat er al jaren een boompje naast Pitas groeit en dat er uitspoeling plaatsvindt in het dak van het portaal, moet voor verder schade worden gevreesd. Het is te hopen dat de eigenaar van het Pitas-gebouw snel en adequaat ingrijpt om verdere schade aan gebouw en beeldhouwwerk te voorkomen.

Met dank aan de huismeester van het Pitas-gebouw: Erik Friedhoff.

janwillemarends@gmail.com 02-04-2009, bijgewerkt 07-06-2009

>terug

Wijsheid (en uil), Pitas en (haan en) Waakzaamheid

St. Joris op het tableau aan de Emmalaan

St. Joris

Lambertus Zijl, Gijsbreght van Aemstel